Lilian

donderdag, september 10, 2009

Wraak

















Ik zou graag morgen pas weer overleven
wanneer de dood haar stomme jas uittrekt
en naast mij zit, de ronde tafel dekt
hoe kan ik houden van, ik haat dit streven

ik ben zoveel, te vaak nog blijven kleven
het heden heeft dit lijf niet eens bedekt
of mijn verlangen naar een kus gewekt
hoe kan ik houden van, ik haat dit beven

laatst werd ik wakker, bakte mij een ei
best bijdehand - de dood had zich verslapen
in elk geval kon ik er niet meer bij

en jankte mij kapot, ik nam een wapen
‘ik maf' verwikkeld in een steekpartij
voorwaar, de dood lag nog op apegapen

zondag, september 06, 2009

Oorzaak

hij weet niet dat weten komt hoe je wassen moet
hoe het hem zal belonen. hij ziet de eigen duivels
gelijk aan de nacht. daar laat hij zonnen zakken
wentelt in een wirwar van lakens en tekens

het is hem nog niet duidelijk hoe simpel toch
zijn moeder was hij is te moe haar los te laten
knipt verbeten navelstreng op navelstreng
ziet zichzelf geboren telkens in eenzelfde wieg

hij kantelt het hoofd bij elke knip als wil hij zeggen
hoor mij laat mij mijn weten en wel meteen
ik ben wie ik ben en daar doe jij het maar mee

in troebel vruchtwater weet ik mij gekozen ingeleid
strijk ik mijn ingewanden glad en krom de vingers
het leven is oneerlijk. wen er maar aan.

maandag, augustus 10, 2009

14 - Schuldbewust

Wij hebben besloten, dat we elkaar in dit schrijven
geen naam toekennen. Wij hebben geen moeders, geen vaders
meer. Zij zijn heengegaan, lang voordat wij ons in deze
tijd een naam konden toedichten. De namen die wij ooit
gekregen hebben, wij hebben er geen weet van gehad.
Wij moesten door het leven, vergaan, zoals wij meer wel
hebben afgedaan, tot stof. Dat, terwijl wij op deze
aardkloot op zoek waren naar wie, wat wij zijn, zijn wij in
wezen enkel alleen maar wij. Maar als ik mij een naam
had willen geven, had ik Madeleine geheten.

Aan hem had ik iets Duitsers toegeschreven. Niet heel groots,
eerder kort en klein. De naam Anton had ik gelaten
hem in dit vers best toebedacht, al kreeg ik maar één kans
om in één ademtocht één Jood van de dood te weten.

=
14 regels x 14 lettergrepen

Yeti

Sta jij erop. Dat ik het weet
terwijl ik goed bedoeld
het bloedend vlees laat wapperen
over Nepal en Tibet.

Kan het niet plaatsen. Niet altijd.
Nooit heb ik echt geweten wat
ik zou gaan zeggen als de vragen kwamen
en laat daarom het ongezegde
achter in mijn schoot.

De ganzen gakken
in de Himalaya. Ik weet van Himalaya.
Kennis is geen macht, ook nooit geweest.
Toegepast was ze meer iets voor de reuzen.

Maar als de aarde uit mijn platte buik
de eeuwigheid haalt
ben jij de eerste.
dat je het weet.

14 - Het dorp

Er is niets dat overblijft. Niets, behalve bitterheid.
De verveling hangt aan het verdorde gras, aan vogels
wier vleugels we groen en geel denken, een soort van groengeel
waarvan je zou kunnen vermoeden dat het iets van ons
binnenste prijsgeeft. Niets is minder waar. Hier in dit dorp
schijten honden in de goot, staat een huisarts lang te koop
hangen geraniums en petunia’s om en om
in bruine baskets, lopen mensen overdag netjes
rondjes op het goed onderhouden bleke zebrapad.

Dit dorp is verslagen. Verlaten. Het is dat je weet
dat er mensen leven anders zou je denken dat men
uitgestorven was. Buiten is binnen hier, buiten wacht
op wat we zelf zijn, wat we ooit gewoon geworden zijn.
Dat wat achterblijft achtervolgt ons in onze schaduw.

==

14 regels x 14 lettergrepen

Zonverband

De zon wordt met van alles vergeleken
maar nergens ligt ze schijnbaar verlegen
zo zeker tussen wolken als aan de grens
en vertelt haar verhaal mij
met een lijf om jaloers op te zijn
(ze is veel mooier dan waar ik mezelf vind)
dat elke vezel zich van haar hart
afzet op mijn opgepoetst ego dat bestaat
uit bruin water wit water en water

vrijdag, juni 05, 2009

De uitweg


















Tussen neus en lippen tussen sittard
en geleen tussen rapenvelden
in mijn broekzak god die giechelend en wel
wonder verwekkend sperma achterliet
in gele bruine groen gevlekte kiezelsteentjes

daar blaffen de vogels helden van vlees
bedden van vocht tussen duim en wijsvinger
begin ik mijn tocht op stoffig akkertje
een voet een hart een koe een huis

bomen kale koppen jaarringen
klaplongen zij halen de zomer niet
om hen slaat de koude neer
weer een winter vallend blad en leeg verdriet

vraag geen wind vraag geen takken
laat mij - als lekker meisje dat haar hart
te kijk legt op de keukentafel - in de boom
geloven die met ritselend blad en wiegend
kind in het stro de grond bemint

achterom het stenen landschap horror
en klaarlichte dag vingers in zakken uitgerekt
voor het in goddelijke rafels
verstrikt geraakte kiezelsteentje

hoop maar dat ik thuiskom wil weten
dat ik thuiskom in de ochtend wanneer
de fluitketel het sein geeft dat er thee
aan staat te komen en dat moeder de vrouw
mij mijn broodtrommeltje mijn appel
in de handen duwt als teken
dat een nieuwe werkdag begonnen is

IJslands meisje
















Als zij door haar IJsland bladert
hoe bijzonder kan een leenland zijn
rust haar oog op bladzij twaalf

geultjes blaast ze in de sneeuw
kleine rimpels, witte vlokken
wolken legt ze naast zich neer

als de bergbeek op haar mooist is
de lucht zich langzaam voegt
naar de buiging van een zomernacht

haalt ze de kleuren uit het licht
en legt ze op haar buik te drogen

donderdag, mei 28, 2009

Wie herinnert zich de hond nog [pantoum]

Er wordt wat afgezeverd en gezegd
nooit heb ik over schrijvers willen schrijven
‘de ouwe wijven!’ op een stip gelegd
liet bijlen slijpen om maar bij te blijven

nooit heb ik over schrijvers willen schrijven
ik las een hond uit Amsterdam; die gast
liet bijlen slijpen om maar bij te blijven
ik laat dit liever zeg aan wie het past

ik las een hond uit Amsterdam; die gast
hij liet gelijk zijn fratsen en zijn grollen
ik laat dit liever zeg aan wie het past
uit naam der poëzie hier koppen rollen

hij liet gelijk zijn fratsen en zijn grollen
‘de ouwe wijven!’ op een stip gelegd
uit naam der poëzie hier koppen rollen
er wordt wat afgezeverd en gezegd


===

Antwoordgedicht.

Zie ook: hier en hier.

dinsdag, mei 12, 2009

Poëzieleesroute Amersfoort

Foto's: Jaap Bloem












Vier keer per jaar vindt de “PoëzieLeesRouteAmersfoort” plaats,
in de maanden april-mei-augustus en september.

In de POEZIESTRAAT AMERSFOORT wordt gekozen voor díe poëzie, die het meer van lezen en (vooral) hérlezen moet hebben, naast poëzie met ook ‘(af)beeldende’ kwaliteiten, of de combinatie hiervan.

Redactie van de POEZIESTRAAT AMERSFOORT: Wil Fraikin en Joep Haeyen.

14-17 mei 2009: Lilian Caessens (Sittard), Erwin Vogelenzang (Den Haag), Floris Brown (Suid Afrika), Edith de Gilde (Den Haag), Trudy Verdaasdonk, Erik Lindner (Amsterdam), Eric van Loo (Utrecht)




Klik hier voor meer bijdragen van mij op englishdutchgermanpoetry.blogspot.com.