maandag, november 24, 2008

Inleiding

I

Tussen de bergdennen lagen Russen
in de geur van kolendamp. Sommigen
waren dood, anderen dagloners in uniform.

We volgden het melkspoor, waadden langs
heuvels, verborgen het nageslacht in grotten
op sneeuwzekere dagen.

Het deed er niet toe dat bomen licht
buitensloten. Het deed er niet toe dat bij
de gratie van wind regen van handen sloeg.

De gedrevenen strompelden voor de wanhoop
uit, sloegen de bijl op poolhoogte. Zaagden
naaldbomen. Stierven. Vingen vis.

Waar we woonden, zouden we wonen en we
wisten het. Hier driften kleuren naar de hel.
Vermomd.


II

We sliepen op sprokkelhout, uitwerpselen,
lieten sommige lijken aan de wolven.
Deelden de lompen. Vlees.

We legden bevroren ledematen tegen
het noorderlicht, kleefden
het ganse volk aan ijsgrijze borsten.

Het deed er niet toe, dat we als op een
op hol geslagen sneeuwbal zuidwaarts
dreven, om voedsel vochten, de eer.

De wijzen wisten wel beter. Beschaving
lag in het mogelijk smelten
van de verijsde aarde. De daden van de zon.

Toen ze eindelijk opdook boven de schotsen
zagen we het duister knikken.


III

Niets hield verband. Toen sneeuw
van de bosbodem smolt telden we de oneven jaren.
Knepen handen fijn in ijsberenbont.

De opstandigen onder ons joegen hitsige kemphanen
de nog lege baltsplaatsen op. Rouwenden
krasten rendieren in een rots. Een jong in de buik.

Beurtelings kookten we de van vlees ontdane
beenderen. Verdreven de tering uit soep
en vielen van herhaling in herhaling in herhaling.

Dat God vanaf een rotsblok op ons neerkeek, dat hij
aan handen en voeten gebonden wist
dat wij waren uitgestorven? Het deed er niet toe.

---

Klik hier voor 'Inleiding' op de Poëzie-Leestafel.

--

Geen opmerkingen: