Elke dag die ik verder van huis
naar de dingen keek, verder week
van water en zand, waarin ik dieren
had gezocht en gevonden, ook al zeiden zij
mij zo veel niet meer en liep ik
op vreemde benen naar een stad
steeds heb ik het gevoel gehad
dat de zee in mijn kielzog meende
dat ik op vissen liep. Daarom.
---
Klik hier voor 'Waarom' op de Krakatauonline.wordpress website.
---
zaterdag, december 20, 2008
vrijdag, december 19, 2008
Waterdier
Ik slik de klei en zeef het water
zwem vlinderslagen in de oceaan
en tel de meeuwen tot de dageraad
als ik later groot ben
stroop mijn huid dan van me af
meet me schubben, vinnen aan
tenslotte ben ik een waterdier
lig in gras, omhels de bomen,
maar zwem, zoals gezegd
de nachten door en tel in dromen
-naast de meeuwen soms ook mussen-
als ik later dood zal zijn
met schubben, vinnen, meeuwen, mussen
stampvoet de klei dan uit mijn ogen
en struin voor mij het water af
zwem vlinderslagen in de oceaan
en tel de meeuwen tot de dageraad
als ik later groot ben
stroop mijn huid dan van me af
meet me schubben, vinnen aan
tenslotte ben ik een waterdier
lig in gras, omhels de bomen,
maar zwem, zoals gezegd
de nachten door en tel in dromen
-naast de meeuwen soms ook mussen-
als ik later dood zal zijn
met schubben, vinnen, meeuwen, mussen
stampvoet de klei dan uit mijn ogen
en struin voor mij het water af
Zadkine's verwoeste stad
Veilig aan de muur
hangt jouw delftsblauwe bord papa
Zadkine's 'Verwoeste Stad' in inkt
de vijf miljard
verzekerde bedragen van de R.V.S.
handgeschreven in 1969
hoe lang ik er niet naar keek
naar jou en het 'Jan Gat'
naar jouw 'Jan met de handjes'
ik naar woorden zocht
aan het noordelijk hoofd van de Leuvehaven
en veel later op Plein 1940
ze aan de oude man met bolhoed vroeg
de zwartgeklede vrouw met paraplu
aan de keffer die zonodig moest
maar ik zoek nog steeds papa
naar woorden voor jou
voor Rotterdam
---
Zie ook: Een afbeelding van het hart én het gedicht in Krakatau en klik hier voor de website van Gyz La Riviere. Het gedicht 'Zadkine's verwoeste stad' werd opgenomen in zijn boek: Jan Hart.
---
Jan Hart I Gyz La Rivière I 2008 I 72 pag’s I vorm: HuMobisten I Veenman Publishers I ISBN/EAN: 9789086901593
---
hangt jouw delftsblauwe bord papa
Zadkine's 'Verwoeste Stad' in inkt
de vijf miljard
verzekerde bedragen van de R.V.S.
handgeschreven in 1969
hoe lang ik er niet naar keek
naar jou en het 'Jan Gat'
naar jouw 'Jan met de handjes'
ik naar woorden zocht
aan het noordelijk hoofd van de Leuvehaven
en veel later op Plein 1940
ze aan de oude man met bolhoed vroeg
de zwartgeklede vrouw met paraplu
aan de keffer die zonodig moest
maar ik zoek nog steeds papa
naar woorden voor jou
voor Rotterdam
---
Zie ook: Een afbeelding van het hart én het gedicht in Krakatau en klik hier voor de website van Gyz La Riviere. Het gedicht 'Zadkine's verwoeste stad' werd opgenomen in zijn boek: Jan Hart.
---
Jan Hart I Gyz La Rivière I 2008 I 72 pag’s I vorm: HuMobisten I Veenman Publishers I ISBN/EAN: 9789086901593
---
dinsdag, november 25, 2008
Het huis
Het huis is leeg
het was niet
maar nu is het
alles dat ik
god
het moest verdwijnen
weg
maar
en nu
vraag ik me af
wat er blijft
voor wie na mij sterven zal
het was niet
maar nu is het
alles dat ik
god
het moest verdwijnen
weg
maar
en nu
vraag ik me af
wat er blijft
voor wie na mij sterven zal
Nooit geen dertien meer
Mijn papa
gaat dood gewoon
is het nog niet, gaat wel
vandaag of anders morgen toch
weet niet
mag afscheid nemen nu
heel even alleen
een hand
zijn gezicht
al zonder ogen
ik staar maar naar
mijn vingertoppen
wat wil ik
wil een stukje met hem mee
totdat ik niet verder mag
en hij mijn hand loslaat
dan moet ik wel
gaat dood gewoon
is het nog niet, gaat wel
vandaag of anders morgen toch
weet niet
mag afscheid nemen nu
heel even alleen
een hand
zijn gezicht
al zonder ogen
ik staar maar naar
mijn vingertoppen
wat wil ik
wil een stukje met hem mee
totdat ik niet verder mag
en hij mijn hand loslaat
dan moet ik wel
maandag, november 24, 2008
Stijf gelijnd
Ik kotste kaviaar
over het krijtstreepje,
hoe je spijkerbroek jeugdig strak
het god vergeten 'Child in time'
drie gekreukte stukjes papier
mijn armen te kort
voor drie kinderhartjes
-maar Levi's paste weer-
en je zoontje
op de rand van zijn bed
hoe hij dacht
over je stijve lijf
en vroeg
bestaat papa nu nog wel
en dat hij
gekruld
insliep
---
Klik hier voor 'Stijf gelijnd' in Meander.
---
over het krijtstreepje,
hoe je spijkerbroek jeugdig strak
het god vergeten 'Child in time'
drie gekreukte stukjes papier
mijn armen te kort
voor drie kinderhartjes
-maar Levi's paste weer-
en je zoontje
op de rand van zijn bed
hoe hij dacht
over je stijve lijf
en vroeg
bestaat papa nu nog wel
en dat hij
gekruld
insliep
---
Klik hier voor 'Stijf gelijnd' in Meander.
---
Gevallen
Het elfde jaar. (15 juli 1955)
~~~~
Wat wil je nu
wil je dat ik zeg
hoe dood je naar me kijkt
niet van mijn zijde wijkt
ik elke nacht
jouw lippen voel
je tong
weet
dat je kijkt
als ik van mezelf hou
speels als ik ben
hoe je dagelijks
kan zien dat ik ouder word
ik avond in, avond uit
woorden schrijf
kromme woorden
verduvelde
er naam aan geef
wat wil je dat ik doe
er rest me de herinnering
je as verwaaid door de noordenwind
meegesleurd in gure tijd
de oude tijd over alle grond
elke grond
duitse grond
onder de grond
jij en ik
hoe er nu de paardenbloemen bloeien
die krengen groeien ook overal
normaal
verdomme normaal
één dag die ik buigen wil
~~~~
Wat wil je nu
wil je dat ik zeg
hoe dood je naar me kijkt
niet van mijn zijde wijkt
ik elke nacht
jouw lippen voel
je tong
weet
dat je kijkt
als ik van mezelf hou
speels als ik ben
hoe je dagelijks
kan zien dat ik ouder word
ik avond in, avond uit
woorden schrijf
kromme woorden
verduvelde
er naam aan geef
wat wil je dat ik doe
er rest me de herinnering
je as verwaaid door de noordenwind
meegesleurd in gure tijd
de oude tijd over alle grond
elke grond
duitse grond
onder de grond
jij en ik
hoe er nu de paardenbloemen bloeien
die krengen groeien ook overal
normaal
verdomme normaal
één dag die ik buigen wil
Zo is ze
Er ligt een lijk
het lijkt op mij
het ligt er lief
en oud
verlaten bij
haar rimpels
van weet ik nog
van toen en vaak
en vaker nog
in zinnen als ik hou van jou
haar witte haar
breekbaar in de punten
hoe het lijkt
op een liedje
dat ik nog verzinnen zal
het nooit geschreven vers
dat vergeefs
in het wikken ligt
het wegen
achter ogen die
niet wijzer werden
het lijkt op mij
het ligt er lief
en oud
verlaten bij
haar rimpels
van weet ik nog
van toen en vaak
en vaker nog
in zinnen als ik hou van jou
haar witte haar
breekbaar in de punten
hoe het lijkt
op een liedje
dat ik nog verzinnen zal
het nooit geschreven vers
dat vergeefs
in het wikken ligt
het wegen
achter ogen die
niet wijzer werden
Pour toi Orlando
Naast me slaapt het missen
van doordeweekse dagen
wil ik dichter bij hem liggen
het denken weren
dat als een jakhals
in me sluipt
vrees ik dit verglijden
dit liefhebben
omdat het vager worden
van herinneringen
verdwijnt
keer uit man en macht
van hoe ik vergeten dacht
en til ogen naar zijn mond
vlak voor ik dieper nog
in hem kruip
en heradem
van doordeweekse dagen
wil ik dichter bij hem liggen
het denken weren
dat als een jakhals
in me sluipt
vrees ik dit verglijden
dit liefhebben
omdat het vager worden
van herinneringen
verdwijnt
keer uit man en macht
van hoe ik vergeten dacht
en til ogen naar zijn mond
vlak voor ik dieper nog
in hem kruip
en heradem
Inleiding
I
Tussen de bergdennen lagen Russen
in de geur van kolendamp. Sommigen
waren dood, anderen dagloners in uniform.
We volgden het melkspoor, waadden langs
heuvels, verborgen het nageslacht in grotten
op sneeuwzekere dagen.
Het deed er niet toe dat bomen licht
buitensloten. Het deed er niet toe dat bij
de gratie van wind regen van handen sloeg.
De gedrevenen strompelden voor de wanhoop
uit, sloegen de bijl op poolhoogte. Zaagden
naaldbomen. Stierven. Vingen vis.
Waar we woonden, zouden we wonen en we
wisten het. Hier driften kleuren naar de hel.
Vermomd.
II
We sliepen op sprokkelhout, uitwerpselen,
lieten sommige lijken aan de wolven.
Deelden de lompen. Vlees.
We legden bevroren ledematen tegen
het noorderlicht, kleefden
het ganse volk aan ijsgrijze borsten.
Het deed er niet toe, dat we als op een
op hol geslagen sneeuwbal zuidwaarts
dreven, om voedsel vochten, de eer.
De wijzen wisten wel beter. Beschaving
lag in het mogelijk smelten
van de verijsde aarde. De daden van de zon.
Toen ze eindelijk opdook boven de schotsen
zagen we het duister knikken.
III
Niets hield verband. Toen sneeuw
van de bosbodem smolt telden we de oneven jaren.
Knepen handen fijn in ijsberenbont.
De opstandigen onder ons joegen hitsige kemphanen
de nog lege baltsplaatsen op. Rouwenden
krasten rendieren in een rots. Een jong in de buik.
Beurtelings kookten we de van vlees ontdane
beenderen. Verdreven de tering uit soep
en vielen van herhaling in herhaling in herhaling.
Dat God vanaf een rotsblok op ons neerkeek, dat hij
aan handen en voeten gebonden wist
dat wij waren uitgestorven? Het deed er niet toe.
---
Klik hier voor 'Inleiding' op de Poëzie-Leestafel.
--
Tussen de bergdennen lagen Russen
in de geur van kolendamp. Sommigen
waren dood, anderen dagloners in uniform.
We volgden het melkspoor, waadden langs
heuvels, verborgen het nageslacht in grotten
op sneeuwzekere dagen.
Het deed er niet toe dat bomen licht
buitensloten. Het deed er niet toe dat bij
de gratie van wind regen van handen sloeg.
De gedrevenen strompelden voor de wanhoop
uit, sloegen de bijl op poolhoogte. Zaagden
naaldbomen. Stierven. Vingen vis.
Waar we woonden, zouden we wonen en we
wisten het. Hier driften kleuren naar de hel.
Vermomd.
II
We sliepen op sprokkelhout, uitwerpselen,
lieten sommige lijken aan de wolven.
Deelden de lompen. Vlees.
We legden bevroren ledematen tegen
het noorderlicht, kleefden
het ganse volk aan ijsgrijze borsten.
Het deed er niet toe, dat we als op een
op hol geslagen sneeuwbal zuidwaarts
dreven, om voedsel vochten, de eer.
De wijzen wisten wel beter. Beschaving
lag in het mogelijk smelten
van de verijsde aarde. De daden van de zon.
Toen ze eindelijk opdook boven de schotsen
zagen we het duister knikken.
III
Niets hield verband. Toen sneeuw
van de bosbodem smolt telden we de oneven jaren.
Knepen handen fijn in ijsberenbont.
De opstandigen onder ons joegen hitsige kemphanen
de nog lege baltsplaatsen op. Rouwenden
krasten rendieren in een rots. Een jong in de buik.
Beurtelings kookten we de van vlees ontdane
beenderen. Verdreven de tering uit soep
en vielen van herhaling in herhaling in herhaling.
Dat God vanaf een rotsblok op ons neerkeek, dat hij
aan handen en voeten gebonden wist
dat wij waren uitgestorven? Het deed er niet toe.
---
Klik hier voor 'Inleiding' op de Poëzie-Leestafel.
--
Abonneren op:
Posts (Atom)